Wikia


‘Dus, commandant hè?’ vroeg Leeuwenmaan geïnteresseerd. Ze waren op patrouille gedaan en waren op hun gemakje aan het lopen langs de grens. Door de sneeuw was het een stuk vermoeiender, maar gelukkig nog wel vol te houden. Donderpoot knikte naar zijn mentor. ‘Ik weet het nog niet helemaal zeker, maar ik denk het wel.’ Gisteren had hij zijn mentor verteld over zijn nieuwe doel, maar ze hadden nog geen moment gehad om er goed over te praten. Nu was het al aan het schemeren en begon de avond langzaam te vallen. Alles was stil, waarschijnlijk doordat het zo rustig was, omdat de Clans zich waarschijnlijk voorbereidde op de Grote Vergadering. Donderpoot was best wel nerveus. Wat zouden de andere Clans ervan zeggen dat hij, Havikpoot, Roodborstpoot en vooral Engelpoot allemaal waren opgenomen in de DonderClan?

‘Dat is een zware taak, maar ik denk wel dat je het kan. Al zal het waarschijnlijk wel betekenen dat je mijn plek zal overnemen’, mompelde de kater ietwat somber. Donderpoot keek zijn mentor geschrokken aan. Daar had hij nog helemaal niet aan gedacht! Sneeuwster is pas net leider en Leeuwenmaan is niet meer de jongste … hij zal nooit ouder worden dan hem! Hoe kon hij ooit hopen dat zijn eigen mentor dood zou gaan, zodat hij zijn plek in kon nemen?

Leeuwenmaan wenkte naar Donderpoot dat ze terug naar het kamp moesten. ‘Het maakt niet uit hoor. Misschien komt het juist wel goed uit, want als ik dan doodga, kan ik in ieder geval zeggen dat ik graag zou willen dat jij me opvolgt!’ ging de grote kater verder. Donderpoot knikte, maar voelde zich nog steeds een beetje triest erover. Daarbij wilde hij het commandantenschap zelf verdienen en het niet toe geschoven krijgen. ‘Heb je nog tips voor mij?’ vroeg de jonge kater toen. Leeuwenmaan knikte. ‘Natuurlijk. Als allereerst moet je gewoon jezelf blijven en naar Sneeuwster blijven luisteren, want zo win je zijn vertrouwen en dan maak je meer kans. En eigenlijk heb je al een voorsprong, want Sneeuwster heeft het niet zo op heethoofdige katten, dus ik denk wel dat je een goede kans maakt.’

Donderpoot glimlachte blij en snorde zachtjes. Dat zijn mentor vertrouwen in hem had, maakte hem ook meer zelfverzekerd. ‘Denk je dat echt?’ vroeg hij toch nog wat onzeker. Gelukkig gaf Leeuwenmaan hem een bevestigend knikje. ‘Ik heb je wel gezien gisteren. Je dacht eerst aan de oudsten en moederkatten, zonder dat iemand je erop hoefde te wijzen. Als je dat al als eigenschap hebt uit jezelf, dan betekent dat, dat je een geboren leider bent hoor. Die hoort namelijk ook eerst aan anderen te denken voor zichzelf. Het enige wat je misschien wat meer moet doen is vaker het initiatief nemen. Laat zien dat je er bent! Je hebt je grootte al mee.’ Leeuwenmaan knipoogde naam hem en veegde met zijn staart ruw over Donderpoots hoofd. De leerling knikte weifelend. ‘Ik snap wel wat je bedoelt, maar ik ben gewoon bang dat anderen me dan een baasspeler vinden en minder aardig.’ Leeuwenmaan knipperde begrijpend met zijn ogen. ‘Ik snap het wel hoor, maar soms is streng zijn ook echt even nodig. Als je later een leerling krijgt en die luistert niet goed, dan zul je ook boos moeten worden af en toe. Natuurlijk zal hij of zij dat dan niet leuk vinden, maar dat is ook niet heel belangrijk. En daarbij … de meesten vinden mij ook nog steeds aardig ondanks ik soms wat overheersend kan zijn, toch?’ Donderpoot glimlachte. ‘Absoluut!’

‘Kom’, zei Leeuwenmaan toen, ‘we doen nog even wat jachttraining voordat we teruggaan!’ Hij wenkte zijn leerling om hem te volgen, maar Donderpoot bleef vragend stilstaan. ‘Moeten we niet eerst de grenspatrouille afmaken?’ Leeuwenmaan schudde zijn kop. ‘Nee, we zijn geen officiële patrouille. Dit was gewoon een excuus om met je te praten.’ Donderpoot grijnsde. Zijn mentor was zo zorgzaam en zo lief. Hij had echt veel geluk met hem, al vanaf het begin. Hij wist nog de keer dat hij Leeuwenmaan als zijn vader had gezien. Hij had altijd geweten dat het niet echt zo was, maar het voelde zo. Nu was het allemaal wat anders geworden. Donderpoot had zijn echte vader ontmoet in de bergen, maar toch was Leeuwenmaan meer een vader voor hem geweest dan Maan Die Op Rots Schijnt. Ik heb gewoon het geluk dat ik twee vaders heb, bedacht Donderpoot blij.

⊱─∘─•─∘─⊰ ☾✯☽ ⊱─∘─•─∘─⊰

Ze hadden de jachttraining al vroeg moeten stoppen, omdat Sneeuwster al wat eerder naar de Grote Vergadering wilde gaan. De DonderClanleider verwachtte dat ze door de sneeuw en gladheid op de boombrug sowieso wat meer tijd nodig hadden en hij had geen ongelijk gehad. Iedereen was een beetje zenuwachtig en daardoor waren enkele katten al een paar keer gestruikeld. Donderpoot schudde de sneeuw op zijn rug ervan af; hij was ook één van die katten geweest. Havikpoot naast hem stuiterde enthousiast op en neer. Dit was voor velen een belangrijke vergadering: Havikpoot en Roodborstpoot waren er voor het eerst, het was ook Donderpoots eerste Grote Vergadering sinds zijn terugkomst en Ravenklauw, Zandroos, Bronsvaren en Heidemist waren er voor het eerst als krijgers bij. Daarbij moesten ze ook nog vermelden dat ze Engelpoot in hun Clan hadden opgenomen en dat zou waarschijnlijk veel woede aanwakkeren. Donderpoots poten tintelden nerveus en hij werd misselijk door zijn prikkelende zenuwen. Wat zouden de andere katten zeggen als ze hem weer zagen? En wat zouden ze vinden van alle nieuwkomers? Deze vergadering kan helemaal verkeerd aflopen!

Hij sprong op de boombrug toen Gaaienveer aan de andere kant was beland. Meteen boorde hij zijn klauwen in de schors zodra hij voelde dat zijn poten weggleden. Voorzichtig kroop hij verder en sprong uiteindelijk onhandig van de brug af. Bij Havikpoot en Roodborstpoot ging het gelukkig soepeler. De schildpadpoes leek niet geheel op haar gemak. Het zal ook niet gemakkelijk zijn. Van in je eentje wonen naar een heel eiland vol met onbekende katten! Al had ze natuurlijk bij anderen gewoond, had ze Donderpoot laatst verteld. Spikkelbloem fluisterde wat in Roodborstpoots oor en liet haar toen achter om zich bij een paar andere krijgers te voegen. Donderpoot liep snel naar haar toe, met zijn broer achter zich aan, en knikte naar het groepje leerlingen. ‘Kom, dan zal ik jullie voorstellen!’

Maar zijn weg werd al snel versperd door een andere schildpadpoes. ‘Donderpoot! Je bent terug!’ Donderpoot knipperde een paar keer met zijn ogen en probeerde haar naam voor zich te halen, maar er schoot hem niks te boven. Hij had nooit een heel sterk geheugen gehad, maar zolang was hij toch niet weggeweest? Hoe kon hij haar nu al vergeten zijn? ‘Leeuwerikzang is het’, miauwde de poes toen vriendelijk. Ohja! Natuurlijk! Waarom wist ik dat niet? IJzerpoot had me daar nog over verteld! Zij is de nieuwe medicijnkat van de WindClan! Nog steeds vond hij het onbegrijpelijk hoeveel er was veranderd in de korte tijd dat hij weg was geweest. Misschien wist ik het daarom ook wel niet.

‘Leeuwerikzang! Hoe gaat het ermee?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Goed hoor. Het leven van een medicijnkat bevalt mij eigenlijk erg goed! En wie zijn je nieuwe vrienden? Het zijn toch niet al de kits van IJsspikkel en Sneeuwster? Of heb ik wat gemist en was er een tijdje terug nog een nieuw nestje?’ vroeg ze verbaasd. Donderpoot schudde zijn hoofd. ‘Nee hoor, dit is mijn broer Havikpoot en dit is Roodborstpoot, een goede vriendin van me!’ Leeuwerikzang keek hem verontwaardigd aan. ‘Het is een lang verhaal’, legde Donderpoot uit, ‘maar om het kort samen te vatten: ik ben erachter gekomen dat ik uit de Stam der Waterstromen kom en daar kwam ik Havikpoot tegen. Roodborstpoot kende ik toevallig al wat eerder en kwam ik tegen op mijn terugreis en nu ben ik hier weer!’ Leeuwerikzangs bek viel open van verbazing. ‘Dat is echt ongelooflijk! Maar ik ben zo blij dat je terug bent en je familie nog hebt gevonden!’ Ze knipperde vrolijk naar Roodborstpoot en Havikpoot. ‘Aangenaam kennis te maken in ieder geval! Ik ben Leeuwerikzang dus, de nieuwe medicijnkat van de WindClan!’

‘Aangenaam!’ mompelden de twee katten in koor. Daarna richtte Leeuwerikzang weer op Donderpoot en keek een tikkeltje meer bezorgd. ‘Waar is Pluispoot eigenlijk? Ik zie hem nergens. Is alles oké?’ Donderpoot knikte en glimlachte geruststellend. ‘Met Pluispoot gaat het prima hoor. Hij moest alleen thuisblijven omdat Rozenboom aan het jongen is!’ Leeuwerikzang lachte. ‘Dat is geweldig nieuws! Feliciteer haar maar van mij als je weer in het kamp bent!’ ‘Zal ik doen!’ miauwde Donderpoot terug, al wist hij nu al dat hij dat waarschijnlijk zou vergeten.

Nadat de WindClanpoes weer weg was, trippelden de drie katten naar het groepje leerlingen waar ze eerder al naartoe wilden gaan. IJzerpoot kwam er ook snel bij, maar Donderpoot besteedde geen aandacht aan hem. Het deed hem pijn om zo te doen, zeker omdat hij dit jaloerse gevoel helemaal niet gewend was van zichzelf. Maar het is gewoon nog te kort geleden … Hoe moet ik normaal naar hem kijken als ik steeds maar denk aan hetgeen wat hij wel heeft en ik niet meer? Hij wendde snel zijn kop af van de grijze kater en volgde een wit poesje naar Leeuwerikzang en de andere medicijnkatten. Donderpoot fronste eventjes. Alleen Melkpoel, Leeuwerikzang en Dauwpoot waren er, dus dat zou betekenen dat die witte poes van de RivierClan was! Dan hebben ze toch nog hun medicijnkat gevonden. Maar toch klopte er nog steeds iets niet. Want waar was Vleugelpoot dan? Dat was de nieuwe medicijnkat van de SchaduwClan geweest.

Veel tijd om verder te peinzen kreeg hij niet, want ze waren al bij het groepje aangekomen. Toen pas besefte Donderpoot zich dat hij Roodborstpoot en Havikpoot niet eens kon voorstellen aan de katten, omdat hij de helft nooit had gezien en de rest amper kende. Hij wierp een blik over zijn schouder en zag Zandroos zich bij Ravenklauw, Heidemist, Bronsvaren, Zonnepoot en nog een grijs poesje met oranje ogen voegen. Ergens betreurde het hem wel. Hij hoorde ook bij dat groepje te staan van nieuwe krijgers. Zijn blik viel op Zonnepoot en hij herinnerde zich hoe hij haar broer nog had gezien nog vlak voordat hij met Engelpoot naar de bergen was vertrokken. Hoe zou het nu met Graanpoot zijn? Zou hij zijn missie al volbracht hebben? Zonnepoot zal hem vast erg missen.

Toen ontmoette hij de liefdevolle groene ogen van Zandroos. Ze glimlachte en zei wat onverstaanbaars tegen haar groep en liep vervolgens naar Donderpoot toe. Hij glimlachte terug en zodra ze dichtbij genoeg was, raakte hij haar neus aan. Zandroos stond zoals gewoonlijk voor hem klaar. Op haar kon hij altijd rekenen. Oh, wat had ik graag gewild om samen met haar mijn eindbeoordeling te mogen doen! Hij had zijn beste vriendin ontzettend erg gemist. Ondanks dat ze altijd had geweten dat hij niet van de Clan afkomstig was, wist Donderpoot dat ze alleen haar mond had gehouden omdat ze loyaal was aan haar leider. En daarom had Donderpoot ook nooit boos kunnen blijven op haar.

‘Taanpoot, Meespoot en Heesterpoot, dit zijn Havikpoot, Roodborstpoot en Donderpoot!’ stelde IJzerpoot hen voor. Donderpoot kende eigenlijk alleen Meespoot en zelfs hem alleen maar van gezicht. Taanpoot en Heesterpoot waren net zo nieuw voor hem, als dat ze waren voor Havikpoot en Roodborstpoot. ‘Hey’, groette Donderpoot de HemelClankatten. Meespoot knipperde verwelkomend met zijn ogen. ‘Goed je weer te zien, Donderpoot!’ Heesterpoots ogen glommen nieuwsgierig. ‘Was jij die vermiste DonderClanleerling? Waar ben je al die tijd geweest?’ Donderpoot knikte en begon toen heel zijn verhaal nog een keer uit te leggen, terwijl de drie leerlingen aandachtig luisterden.

‘Dat is zo cool!’ miauwde Meespoot. ‘Ik ben zo jaloers! Ik had ook naar de bergen willen gaan! En dat de Stam der Waterstromen nog bestaat! Hoe heb je ze ooit gevonden?’ Donderpoot begon ongemakkelijk op zijn poten te schuifelen. Hij had expres Engelpoot en Lupa uit het verhaal gelaten, maar zij waren de reden geweest dat hij de Stam had gevonden. Maar hoe konden ze ooit geloven dat hij was opgenomen door een wolf – die ook nog eens een speciale Profeet was, en op reis was met de kat waarvan iedereen dacht dat ze een moordenaar was?

Gelukkig schoot Zandroos hem zoals altijd weer te hulp. ‘Het was waarschijnlijk gewoon erg veel geluk allemaal. Maar genoeg over ons, dadelijk zal je alles wel te horen krijgen. Is er bij jullie nog wat bijzonders gebeurd? Is er al eindelijk een leider gekozen?’ Taanpoot versmalde haar ogen even en schudde toen haar hoofd. ‘Nee, we hebben laatst nog een stemming gehouden, maar het eindigde gelijk.’ Meespoot boog zijn hoofd triest en zijn gele ogen bewolkten. ‘En Saliepoot is gestorven aan een nieuwe ziekte.’ Donderpoot keek de sombere kater meelevend aan. ‘Dat is echt verschrikkelijk. Het spijt me zeer’, murmelde hij, maar Meespoot wendde zich wat meer van de groep af.

‘We hebben er ook een nieuwe kater bij!’ verklaarde Heesterpoot toen om de verdrietige stilte te doorbreken. Roodborstpoot keek geïnteresseerd op. ‘Hoe heet hij?’ vroeg ze. ‘Heldere Hemel!’ antwoordde de jonge kater. Meteen was de interesse in Roodborstpoots blik verdwenen. Donderpoot bekeek haar onderzoekend. Had ze gehoopt dat het iemand anders was? Iemand die zij kende?

Uiteindelijk kwam er nog een paar andere katten bij en Donderpoots nekharen rezen meteen overeind. Hij herkende namelijk één van die katten. Schaduwpoot! Haat vlamde door zijn aderen en het werd steeds warmer naarmate ze met iedere pootstap dichterbij kwam. Zij was de kat tegen wie hij had gevochten toen hij net terug was bij de Clans. Zij werkt samen met Duivelpoot! Ze had twee andere katers bij zich die Donderpoot niet kende, die keken ook niet erg vrolijk, maar salueerden hen wel met een wijd gestrekte glimlach. Schaduwpoot ontmoette zijn ogen en ze keek hem lang aan. Donderpoot vernauwde de zijne en staarde terug. Er is iets aan de hand … maar ik weet niet wat. Haar blik was gevuld met verdriet en angst, maar er was nog iets wat hij niet goed kon peilen. Het is in ieder geval niet de vurige blik die ik eerder van haar heb gezien.

Roodborstpoot en Havikpoot verstijfden naast hem en zeiden Schaduwpoot ook geen gedag. Daarna nam de donkerbruine poes haar plek naast Taanpoot en durfde de DonderClankatten niet meer aan te kijken. Heeft ze spijt? vroeg Donderpoot zich voor een moment af. Misschien heeft ze dan eindelijk haar ogen geopend. Vervolgens rukte hij zijn blik los van haar en keek naar de andere twee SchaduwClankatten. Allemaal keken ze eigenlijk een beetje somber. Zou er wat gebeurd zijn in de SchaduwClan?

‘Hey Schaduwpoot, Tijgerpoot en Bruinpoot’, miauwde Zandroos toen. ‘Is er wat aan de hand? Jullie kijken allemaal zo sip.’ Bruinpoot knikte bedroefd en Donderpoot zag Schaduwpoots blik zelfs nog verdrietiger worden dan dat het al was. Maar toen hief ze haar kin op en keek Donderpoot recht in zijn ogen aan. Haar blik gleed vervolgens naar de struiken achter hen en toen keek ze weer terug naar Donderpoot. De witoranje kater fronste verbaasd. Wat wilde ze van hem?

Toen liep Schaduwpoot weg van de groep en verdween achter de struiken. Donderpoot fronste nog harder, waardoor zijn gezicht bijna pijn begon te doen. Wil ze dat ik haar volg? Hij keek even snel naar de groep en week daarna langzaam achteruit. Havikpoot keek achterom en staarde hem niet-begrijpend aan, maar Donderpoot stelde hem gerust met een knikje. Vervolgens draaide hij zich om en dook de struiken in. Hij worstelde even met de takjes die bleven vastzitten in zijn middellange haren, maar uiteindelijk kwam hij er aan de andere kant weer uit. De oever was overspoeld met duisternis door de zwarte modder en het donkere water.

Schaduwpoot zat naar het meer te staren aan de rand van de oever en keek niet naar hem om. Even twijfelde Donderpoot of hij haar gebaar wel goed had begrepen, maar hij besloot toch naar haar toe te gaan. Een kille bries duwde tegen zijn borst aan en zijn haren kwamen overeind door de plotselinge kou. Zodra de witte rand van sneeuw werd overgenomen door de vieze, stinkende modder, rilde Donderpoot nog een keer. Hoe vinden sommige katten die modder fijn? Terwijl zijn poten nog verder wegzakte in de klevende modder dan ze hadden gedaan in de koude sneeuw, zwiepte hij ongemakkelijk met zijn staart.

‘Wilde je me spreken?’ begon hij toen voorzichtig. Tegelijkertijd haalde hij zijn poten één voor één op, zodat ze niet de diep zouden wegzakken, zodat hij ze er niet meer uit kon halen. Schaduwpoot draaide zich toen om en knikte. ‘Kom, hier is de modder harder’, mompelde ze. Donderpoot twijfelde even. Kon hij haar wel vertrouwen? Of zou ze hem dadelijk verdrinken in het water? Hij kon haar waarschijnlijk wel aan, maar toch was het niet absurd om te bedenken dat ze dat zou doen. Meteen keek hij speurend om zich heen. Wat als Duivelpoot hier ook ergens was?

Maar toen alles veilig leek, trippelde hij toch naar Schaduwpoot toe. Aan de rand van het water was er al een deel bevroren, maar het zag er erg breekbaar uit. Donderpoot onderdrukte een rilling toen hij terugdacht aan een verhaal die hij als kit had gehoord van Snelsprong. Het ging over een paar HemelClanleerlingen die ook een spel speelden op het ijs … en toen zakten ze er allemaal in. Sindsdien zou niemand ooit nog het ijs op durven gaan. Grijspels plaagde de kleine kits er altijd mee dat de geesten van de verdronken katten nog altijd zich onder het ijs bevonden, schreeuwend naar hulp, en zodra ze de kans kregen zouden ze je naar beneden sleuren, zodat ze met je mee konden spelen. Donderpoot wendde snel zijn blik af van de ijzel en keek Schaduwpoot aan. Als zij hem nu voor de gek hield, zou hij binnenkort ook leuk mee kunnen spelen, had hij het idee.

‘Waarom wilde je me helemaal hier spreken?’ vroeg hij mompelend. Hij voelde zich nog steeds oncomfortabel naast haar. ‘Omdat hij ons anders ziet’, mompelde ze terug. Donderpoot keek verontwaardigd op. Was dat waarom ze met hem wilde praten? Had ze eindelijk door dat Duivelpoot slecht was? Maar dat is geweldig nieuws! Dan kunnen we hem nu pas echt beginnen tegen te werken! ‘Duivelpoot bedoel je?’ vroeg hij toch nog maar voor de zekerheid. Schaduwpoot knikte. ‘H-Het spijt me van het gevecht. Ik weet nu pas dat jij en Engelpoot al die tijd al gelijk hadden … ik had jullie zoveel eerder moeten geloven!’ Ze klonk zo wanhopig dat Donderpoot bijna niet kon geloven dat het gespeeld was. Ik weet dat ik haar nooit volledig kan vertrouwen, maar het klinkt echt zo oprecht!

‘En waarom zou ik jou geloven nu? Hoe weet ik dat je niet liegt?’ Donderpoots stem werd een stuk steviger en strenger. Schaduwpoot zuchtte en ontweek zijn doordringende blik. ‘Ik weet niet hoe ik je kan overtuigen’, gaf ze toe, ‘maar ik zal alles doen om te bewijzen dat ik nu aan jullie kant staan! Ik kan hem niet in mijn eentje aan! I-Ik heb jullie hulp nodig als ik hem ooit wil verslaan. Je weet niet hoe machtig hij is, Donderpoot. Heb je hem niet gezien bet? Hoe hij bij Wezelklauw en de rest van de commandanten stond? Alsof hij er zelf eentje was!’ Wezelklauw commandant? Sinds wanneer is dat gebeurd? Nou ja, dat hoor ik zo waarschijnlijk wel.

‘Wat heeft hij je aangedaan?’ vroeg Donderpoot toen, een stuk zachter en vriendelijker dan eerst. Hij wist dat ze ergens pijn had. Het was geen pijn die je van buitenaf kon zien, maar toch was het niet onzichtbaar. Tranen sprongen in haar ogen en ze boog haar kop totdat die zo krom was als de snavel van een wulp. ‘Vleugelpoot is dood, of eigenlijk vermoord … door hem.’ Donderpoot deed geschrokken een stap naar achteren en keek haar met grote ogen aan. ‘H-Hij groeit wel echt in zijn kwaadheid, zeg’, stamelde Donderpoot in ongeloof. Schaduwpoot knikte en kneep haar oogleden stijf samen, waardoor een traan over haar wang rolde. ‘Je hebt geen idee …’

‘Maar waarom vertel je Mistster hier niks over? Hij zal jou toch wel zeker geloven boven een vroegere zwerfkat!’ miauwde Donderpoot luid. Meteen flitste er een waarschuwing door Schaduwpoots ogen als teken dat hij zachter moest spreken. ‘Als ik het hem, of ook maar iemand vertel, dan zal Vleugelpoot niet meer de enige zijn die ik verlies. Die avond van het gevecht, vond ik Zwartvleugel dood. Ze is vermoord door Waska. Ik kan niet Pruimpoot of ook maar iemand anders waar ik om geef verliezen. Vleugelpoots dood was alleen maar een waarschuwing voor mij dat ik mijn mond moest houden! Wat zullen ze wel niet doen als ze klaar zijn met slechts waarschuwingen?’ Ze had haar vacht opgezet, maar Donderpoot wist niet of het kwam door de kou of haar angst. Hij had er ook geen idee van dat ze al zo erg had geleden. Zij was pas echt een slachtoffer van Duivelpoot.

‘Ik kon er met jou en Engelpoot wel al over praten, want jullie weten er al alles van! Voor jullie is het niks nieuws’, ging ze wat rustiger verder. Donderpoot kromp bijna ineen toen hij de naam van zijn vriendin hoorde. Hij en Engelpoot wisselden geen woord meer en alles was altijd ongemakkelijk nu. Dadelijk staan we er allemaal alleen voor omdat we ons alleen maar scheiden van elkaar en dan zal Duivelpoot alle macht in zijn poten hebben.

‘Alsjeblieft, ik heb hulp nodig als we ooit willen dat hij verbannen wordt van de Clans!’ smeekte Schaduwpoot. Donderpoot zuchtte even en kijk uit over het meer. Daarna richtte hij zich weer tot Schaduwpoot en knikte. ‘Goed, ik zal je helpen. Maar wat kan ik doen? Ik leef in een hele andere Clan! Ik spreek of zie Duivelpoot bijna nooit.’ Schaduwpoot haalde opgelucht adem. ‘Dankjewel! E-En ik weet ook niet goed wat, maar gewoon het idee dat ik iemand heb waar ik op kan rekenen is al fijn genoeg.’ Donderpoot glimlachte zwakjes en toen hoorde ze Vedersters luide stem van achter de bosjes: de Grote Vergadering ging beginnen.

Donderpoot en Schaduwpoot liepen gezamenlijk terug, totdat Schaduwpoot opeens stilstond. ‘Wacht!’ siste ze. ‘Ik weet wat je kan doen. Je kan misschien een beetje pushen dat we de zwerfkatten moeten vinden! Duivelpoot is misschien één probleem, maar de zwerfkatten heeft hij ook nodig als hij wil dat zijn plannen slagen.’ Donderpoot knikte goedkeurend. ‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’ Schaduwpoot knipperde dankbaar met haar ogen en leek een stuk meer op haar gemak gesteld nu. ‘Dank je, Donderpoot. Je hebt geen idee hoe dankbaar ik ben dat je me gelooft … en kan je tegen Engelpoot ook zeggen dat het me spijt als je haar tegenkomt?’ Donderpoot vervalste een lachje en knikte toen. ‘Zal ik doen’, beloofde hij, maar hij wist nu al dat dat niet zou gebeuren.

Daarna rende Schaduwpoot snel naar de rest van de Clan en voegde Donderpoot zich bij Havikpoot, Roodborstpoot en Zandroos. ‘Waar was je gebleven?’ vroeg de lichtbruin-rode poes. ‘Oh, ik moest even met iemand bijpraten’, antwoordde hij vlug. Havikpoot staarde hem stilletjes aan. ‘Wat wilde ze van je?’ fluisterde hij in Donderpoots oor. ‘Ik vertel het je later’, prevelde hij zachtjes genoeg zodat Zandroos het niet zou horen. Het deed hem pijn om geheimen te bewaren voor zijn beste vriendin, maar hij wist dat hij niks anders kon doen. Het is voor het beste zo. Hoe meer ze weet, hoe meer ze in gevaar is. En hij wilde haar nog lang mogelijk bij zich houden. Hij was zijn visioen nog altijd niet vergeten. Zandroos en Engelpoot allebei vermoord … Dat mag ik nooit laten gebeuren!

‘In de WindClan hebben de ziektes van Bladkaal al toegeslagen. We hebben veel krijgers die al niet helemaal fit zijn en Kleinbries en Saliesnor zijn ernstig ziek, maar we hebben geen idee wat voor ziekte het is. Gelukkig is prooi niet het probleem … voor nu.’ Vedersters ogen waren duister en hij zat er waarschijnlijk goed doorheen. Een rilling liep van Donderpoots staartpuntje door naar zijn neus. Leiders waren er meestal om hoop te verspreiden en Vederster deed allesbehalve dat. Maar het is ook nog maar begin van Bladkaal, als het nu al zo erg is, hoe erg zal het dan nog worden?

Daarna was Steenbries aan het woord. Donderpoot had begrepen dat hij en Berkenvacht, de twee leiders van de HemelClan, elkaar afwisselden elke vergadering. Vorige keer was het Berkenvacht geweest, dus nu was het Steenbries. ‘In de HemelClan hebben we hetzelfde probleem. We zijn nu al drie leerlingen kwijtgeraakt en twee daarvan aan een onbekende, heftige ziekte. Maar we zullen Vogelpoot, Bliksempoot en Saliepoot altijd in onze harten met ons meedragen. Gelukkig hebben we wel een nieuwe kater in onze Clan opgenomen en we hebben veel vertrouwen in hem.’ Zonder op een protest van andere katten te wachten dat hij een vreemdeling had toegelaten in de Clans, keek hij naar Vederster. ‘Wellicht kunnen we dadelijk nog even spreken om te kijken of de symptomen van de onbekende ziektes overeen komen?’ opperde de HemelClanleider. De goudbruine kater knikte. ‘Goed idee’, antwoordde hij instemmend. Ik hoop maar dat die ziekte zich niet verspreid, we hebben al genoeg problemen!

‘Wij zijn Snorkop helaas verloren’, begon Zalmster nadat Steenbries klaar was. ‘We hebben nog steeds geen medicijnkat helaas, dus was er niemand om hem te verzorgen en weten we ook niet waaraan hij precies geleden heeft. We hopen in ieder geval dat de SterrenClan ons snel een teken stuurt wie onze redder kan zijn deze Bladkaal. Maar voor nu zijn we sterk en gezond. De rivier is nog niet bevroren en dat biedt veel hoop. Daarbij hebben we gelukkig ook goed nieuws! Ganspoot heeft haar krijgersnaam ontvangen en zal nu bekend staan als Gansvleugel!’ Haar naam werd meteen geschreeuwd en Donderpoot deed snel mee. Hij zocht de grijze poes en zag haar toen trots staan met een brede grijs rond haar snuit gevormd.

‘Ook zullen Lichtkit en Sprintkit, de jongen van Bijenstreep en Sneeuwvlok, snel leerlingen worden! Het gaat dus voorspoedig met de RivierClan en we hopen dat de SterrenClan ons zal zegenen gedurende dit koude seizoen!’ eindigde Zalmster zijn verslag luid. Enkele RivierClankrijgers schreeuwden luidkeels mee. Donderpoot keek de lichtrode kater bewonderend aan. Dat is hoe het moet, dacht hij, hoop verspreiden en de moed erin houden! Maar hij kon het Vederster ook niet helemaal kwalijk nemen. Waarschijnlijk wilde de WindClanleider gewoon realistisch zijn en de katten geen valse hoop geven, wat ook niet verkeerd was natuurlijk.

Maar nu kwam het gedeelte waar Donderpoot al heel de avond zenuwachtig voor was: Sneeuwsters verslag. Nu zou zijn leider bekendmaken dat ze Engelpoot hadden opgenomen in de Clan en daar zouden velen er niet mee eens zijn. ‘Beste katten’, zei Sneeuwster kalm, ‘terwijl ik hier spreek is Rozenboom in ons kamp aan het jongen! Ik weet zeker dat haar sterke jongen een grote aanwinst zullen zijn voor onze Clan en we hebben nog geen last van ziektes voor nu, gelukkig. Ook, zoals sommigen van jullie misschien al hebben opgemerkt, zijn er een paar nieuwe gezichten te zien in onze Clan en één terugkerende. Ja, het is waar dat Donderpoot eindelijk weer terug is en hij heeft een paar vrienden mee teruggenomen.’ Naast hem voelde Donderpoot zijn broer verstijven en de witoranje kater deed met hem mee.

Voordat Sneeuwster verder kon gaan, opende Mistster eerst zijn mond. ‘En is het waar dat één van die katten Engelpoot is? Ik heb de rumoeren gehoord, maar het zal toch niet zo zijn dat je een moordenaar in de Clan hebt gelaten? Je kan haar niet vertrouwen!’ Donderpoot slikte. Nu zou het komen. ‘Ja, dat is waar. Engelpoot is één van de katten die bij ons is gekomen.’ Meteen stegen woedende kreten van katten van de andere Clans op.

‘Hoe konden jullie?!’

‘Jullie brengen zo iedereen in gevaar!’

‘Zij is schuldig aan de dood van onze leiders én medicijnkatten!’

Donderpoot kromp ineen en hij durfde niemand aan te kijken, maar toch voelde hij de blikken op zijn pels branden. ‘Stilte!’ riep Sneeuwster toen boos. ‘Laat het me uitleggen, alsjeblieft.’ Mistster snoof en Zalmster schonk de witte kater een wantrouwige blik, evenals Steenbries. ‘Het moet wel een goede verklaring zijn dan’, bromde Vederster. ‘Je weet niet eens of je haar kunt vertrouwen!’ Sneeuwster zuchtte geërgerd, maar hief toen zijn kin op als teken dat hij niemand hem zou laten zeggen wat hij wel of niet kon doen. ‘Toen Donderpoot onze Clan verliet, was dat om zijn ware thuis te vinden. Ja, hij is dus geen Clankat – althans, net door bloed. Hij is afkomstig van de Stam der Waterstromen.’ Donderpoot voelde zich warm worden onder zijn pels, wat eigenlijk niet zo heel erg was in de koude sneeuw. Haast iedereen keek hem verbaasd aan en hij schuifelde ongelukkig op zijn poten. Hij hield er niet van dat heel zijn verhaal zo werd blootgelegd, maar hij wist dat het maar voor het beste was als alles meteen werd uitgelegd, anders zouden de andere Clans wantrouwend blijven.

‘Waarom hij terug is of hoe hij bij ons gekomen is, gaat niemand van jullie wat aan, maar Engelpoot was met hem mee naar de bergen. Ze kon de medicijnkatten niet hebben vermoord, omdat ze toen al weg was! In de bergen heeft Donderpoot zijn broer gevonden, Havikpoot, en ook heeft hij Roodborstpoot leren kennen. Ik weet dat Donderpoot zijn Clan nooit in gevaar zou brengen en dat hij die drie katten met zijn leven vertrouwt, vandaar dat ik ze ook een plekje in de Clan heb aangeboden.’ Sneeuwster haalde diep adem nadat hij alles had gezegd en keek de andere leiders afwachtend aan. ‘Dat ze niet de medicijnkatten heeft kunnen vermoorden is misschien één ding, maar vlak voordat de leiders werden vermoord, hebben we sporen van haar weer aangetroffen. Is dat zo’n erge toeval dan?’ vroeg Mistster uitdagend. Ja! wilde Donderpoot roepen. De DonderClan kan geen ruzie met de SchaduwClankatten hierover gekregen! Ze zijn onze enige bondgenoten!

‘Engelpoot heeft hem waarschijnlijk gehypnotiseerd!’ riep een andere kat toen uit. Steenbries keek de kat streng aan. ‘Doe niet zo mal’, snauwde hij boos. ‘Maar ik moet wel toegeven, dat het een erg ongeloofwaardig verhaal is. Wie weet zijn het allemaal zwerfkatvriendjes van Engelpoot en heeft Donderpoot besloten hun te helpen omdat hij erachter kwam dat jullie niet zijn familie zijn!’ Zandroos sprong boos op haar poten. ‘Hoe durft u!’ spuugde ze boos. ‘Donderpoot is één van de trouwste katten die ik ken. Dat hij zijn echte familie heeft achtergelaten voor ons, zegt al genoeg!’ Donderpoot raakte haar staart zachtjes aan met de zijne. Wat is ze toch ook een geweldige poes!

‘Hij en die Havikpoot lijken niet eens op elkaar!’ gromde Wezelklauw terwijl hij met zijn staat wees naar Donderpoot en zijn broer. Zandroos’ nekharen schoten overeind. ‘Alsof iedereen per se op zijn nestgenoten lijkt! En jullie SchaduwClankatten mogen niks zeggen! Jullie hebben Duivelpoot ook toegelaten in jullie Clan! Engelpoot heeft tenminste nog getuigen dat zij niet eens in de buurt was om een aanval te plegen! Duivelpoot is misschien wel de enige andere die nog connecties zou kunnen met zwerfkatten op dat moment, dus wie zegt dat hij niks heeft doorverteld?!’ Donderpoot keek zijn vriendin met grote ogen, die vol bewonderen sprankelden, aan. Ze heeft geen idee dat ze gewoon de waarheid spreekt!

Duivelpoot sprong ook overeind en stapte dreigen op haar af. ‘Hoe durf je! Ik ben hartstikke loyaal aan de SchaduwClan!’ In Zandroos’ groen vlammende ogen was geen greintje angst voor de kater te bekennen. Ik ben vergeten hoe dapper ze wel niet kan zijn … en hoe fel. Hij speurde de SchaduwClankatten één voor één af totdat hij Schaduwpoots blik ontmoette. Hij probeerde haar aan te sporen met zijn ogen. Dit is je kans! Vertel iedereen de waarheid nu! wilde hij zeggen. Maar Schaduwpoot staarde met grote, angstige ogen terug. Ze is bang voor wat Duivelpoot zal doen, nu hij weet dat blijkbaar meer katten hem verdacht vinden! besefte hij.

‘Genoeg!’ brulde Mistster toen kwaad. Hij staarde alle katten woedend en dreigend aan en wachtte totdat het helemaal stil was voordat hij sprak. ‘Niemand twijfelt aan je loyaliteit, Duivelpoot. En geen enkele DonderClankat bespot mijn krijgers zo! Maar Zandroos heeft een punt. We mogen allemaal hier niks tegenin brengen. Ik kende Engelpoot en Duivelpoot niet voordat ik ze toeliet in de Clan. De WindClan heeft manen geleden ook zwerfkatten in hun Clan opgenomen en de HemelClan zojuist ook! Wie zijn wij om dan de DonderClan te beoordelen? Engelpoot heeft misschien een slechte indruk gemaakt bij ons in de Clan, maar het zijn onze zaken niet wat ze in de DonderClan doet. Ze zullen vanzelf wel merken of ze de verkeerde keuze hebben gemaakt door haar te vertrouwen.’

Het was zo stil op het eiland dat Donderpoot zelfs Sneeuwsters zachte, opgeluchte zuchtje nog kon horen. ‘Dankjewel, Mistster’, ademde de witte leider. ‘En ik begrijp jullie zorgen, maar echt, we zullen dit zelf afhandelen. Tot nu toe heeft Engelpoot zich alleen maar bewezen als een echte aanwinst.’ Donderpoot zuchtte opgelucht. Nu hadden ze het ergste in ieder geval gehad. ‘Maar daar gaat het mij niet alleen om’, gromde Zalmster toen plots. ‘Of Engelpoot niet goed of slecht is kan me weinig schelen, waar ik me zorgen om maak is dat we geen tweede Varenklauw krijgen. Mijn Clan zal veilig zijn, omdat wij ons netjes aan de regels houden en geen vreemdelingen toelaten in de Clan, maar jullie hebben allemaal zwerfkattenbloed in je Clan.’

‘Oh, doe niet of jullie zo heilig zijn!’ spuugde Wezelklauw boos. ‘Ben je soms vergeten wat de SterrenClan jullie de laatste Bladkaal heeft aangedaan? Dat was vast met een reden!’ Vuur verspreidde zich in Zalmsters ogen en hij staarde de SchaduwClancommandant met een dodelijke blik aan. Vederster stak snel zijn staart omhoog en voorkwam nog maar net dat er nog een ruzie uitbrak. ‘Ik denk dat Zalmster wel een goed punt heeft. Varenklauw was zo geobsedeerd met dat half- en niet-Clankatten slecht waren en haar plan is helemaal geslaagd. Ik wil niet dat er nog zo’n kat komt die dat gaat doen.’ Mistster snoof geïrriteerd. ‘En wat wilde je nu nog er tegen doen dan? Wat gebeurd is, is gebeurd. We kunnen ze nu moeilijk wegsturen, zeker jouw katten, Vederster. Bij jou is het zwerfkattenbloed al helemaal verspreid onder al je katten.’

‘Denk je niet dat dat bij iedereen zo is?’ gromde Steenbries. ‘We hebben waarschijnlijk allemaal wel geen volledig Clanbloed meer. De stichters van de Clans hadden ook geen Clanbloed en de katten in hun Clans nog minder! Als er ooit een tweede Varenklauw komt, zullen we die daar even op wijzen en dat zij of hij dus ook niet volledig Clanbloed heeft. Varenklauw was gewoon een gestoorde gek die daar niet zo goed over na heeft gedacht.’ Eindelijk klonk er instemmend gemompel in plaats van boze kreten. Donderpoot zuchtte nog een keer opgelucht. Wat een Grote Vergadering is dit zeg!

‘Goed, dat ook weer opgelost’, bromde Mistster. ‘Dan zal ik nu mijn verslag doen en dan kunnen we allemaal naar onze nesten vertrekken.’ Alles aan Mistster liet al zien dat hij helemaal klaar was met de vergadering en de blikken van de andere leiders zeiden precies hetzelfde. ‘Wij SchaduwClankatten hebben helaas ook katten verloren. Vleugelpoot en Zwartvleugel zijn allebei vermoord. Ja, vermoord, dus niet gestorven aan een gekke ziekte. We verdenken de zwerfkatten ervan dat ze nog een keer hebben toegeslagen bij ons.’ Deze keer waren het geschokte kreten die naar de hemel stegen. Donderpoot keek even naar Schaduwpoot, die haar kop weer gebogen had. Een steek van medelijden schoot door Donderpoot heen. Zij heeft het misschien nog zwaarder dan Engelpoot op dit moment. En hoeveel erger zal het voor haar wel niet worden?

Mistster wachtte rustig op de stilte, maar die kwam niet. ‘Zwerfkatten? Wie weet heeft de HemelClan dit wel op hun geweten! De twee lijken zijn allebei wel erg dicht in de buurt van onze grens met jullie gevonden!’ grauwde Duivelpoot. Donderpoot sloeg zijn oogleden vermoeid neer. Daar gaan we weer. Hij bereidde zich al voor op de woeste kreten van de HemelClan na deze heftige beschuldiging en hij was ook niet verbaasd toen de klanken eindelijk zijn oren bereikten. Enkele HemelClankatten hadden zelfs hun vacht overeind staan en vormden dreigend een brede, sterke muur tegenover de SchaduwClankatten.

‘Duivelpoot! Houd je koest!’ snauwde Wezelklauw kwaad. Meteen werd het stiller en iedereen keek weer omhoog, wachtend op hoe Steenbries zou reageren hierop. ‘Wat heeft dit te betekenen? Hoe durven jullie ons zo vals te beschuldigen!’ gromde hij tegen Mistster. ‘We hebben HemelClansporen op ons territorium gevonden. Ik wil niet zeggen dat ze te maken hebben met de moord op Zwartvleugel en Vleugelpoot, maar ik sluit het zeker niet uit’, antwoordde de SchaduwClanleider kalm. Donderpoot drukte zich wat dichter tegen Havikpoot en Zandroos aan. Hij had het koud gekregen van al het stilzitten. En dat terwijl het zo’n verhitte Grote Vergadering is, bedacht hij zich met een glimlach.

‘Hoe bedoel je “we sluiten het niet uit”? Geen enkele HemelClankat zou ooit zoiets doen!’ riep Steenbries uit. Mistster keek hem uitdagend aan. ‘Weet je dat wel zeker? Wie weet zijn er een paar katten in je Clan die het gewoon niet konden hebben dat er twee leiders waren en die nadat er nog steeds geen beslissing was genomen over wie nu de echte leider zou zijn, even hun frustratie moeten uiten. Dat zou ik volledig kunnen begrijpen hoor.’ Donderpoot kon er niks aan doen dat zijn snorharen geamuseerd trilden. Daar had Mistster twee vliegen in één klap geslagen.

‘Dat zijn HemelClanzaken en daar heb je niks mee te maken, Mistster!’ spuugde de HemelClanleider terwijl hij zich dreigend groot maakte, wat weinig indruk maakte op de SchaduwClanleider. Snel sprong Berkenvacht op van zijn plek en keek naar boven. ‘Ruzie maken hierover heeft geen enkele zin! We zouden juist moeten samenwerken!’ Wezelklauw snoof. ‘Waarom zouden we dat ooit doen?’ Berkenvacht keek geïrriteerd over zijn schouder naar de donkergrijze commandant, maar richtte zijn blik weer op Mistster en Steenbries. ‘De HemelClan heeft ook last gehad van de zwerfkatten. Hun geuren zijn constant te vinden bij onze grens en misschien kunnen we gezamenlijk met een oplossing komen.’ Mistster opende zijn mond op iets te zeggen en Donderpoot spitste al zijn oren om te horen wat de leider daarop te zeggen zou hebben, want hoogstwaarschijnlijk was het niet al te aardig, maar Mistster sloot hem weer en slikte even. ‘Dat is een goed idee’, antwoordde hij uiteindelijk. ‘We zouden ze gewoon moeten verdrijven natuurlijk, maar we hebben geen idee waar hun kamp of iets dergelijks is. Hoe kunnen we ze dan ooit vinden? Heel het woud afspeuren lijkt me een beetje verspilde moeite in een tijd dat we al onze kracht nodig hebben.’

Op dat moment besefte Donderpoot dat dit zijn kans was om iets te doen. Nu kon hij Schaduwpoot gaan helpen. Maar zou hij dat wel doen? Alles was al zo oververhit op deze Grote Vergadering en hij wilde niet nog meer problemen veroorzaken. Maar dit is juist een oplossing! En voordat hij het wist, verlieten de woorden al zijn mond. ‘Ik weet waar ze zijn!’ riep hij plots uit. Havikpoot, Roodborstpoot en Zandroos keken hem direct verontwaardigd aan. Later zal ik het ze wel uitleggen, dacht Donderpoot snel. Steeds meer ogen vielen op hem, maar hij voelde maar van één iemand echt de blik op zijn pels branden. Zijn blik gleed naar Schaduwpoot. Die gaf hem een haast onzichtbaar, dankbaar knikje en keek daarna heel gauw weer weg.

‘Vertel, Donderpoot, waar zijn ze dan?’ vroeg Mistster geïnteresseerd. Donderpoot kreeg het weer heet onder zijn vacht, want hij besefte zich maar al te goed wat dit betekende. Nog steeds voelde hij een blik op zijn vacht branden met een vuur zo groot dat het heel het woud kon verwoesten. Maar het was niet de blik van Mistster, Schaduwpoot of een andere kat die hem aankeek, wist Donderpoot. Nee, het waren de vlammende ogen van Duivelpoot die hem probeerde te doorboren. Voorzichtig wendde hij zijn kop naar de donkergrijze kater zodat hij hem ook in zijn ogen kon aankijken. En als een blik kon doden, dan had die van Duivelpoot hem zojuist vermoord. Donderpoot slikte angstig en hij begon zijn eigen angst geur te ruiken. Hij wist dat hij nu een grens had overschreden en dat Duivelpoot hem niet zomaar zou laten gaan. Vanaf nu werd alles een heel stuk erger. Nu is het menens.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.