Wikia


Het kasteel van Helsingor wordt al enige tijd in de gaten gehouden door een mysterieuze spookverschijning. De bewakers raken er maar niet over eens wat dit nu eigenlijk betekent. Maar een nieuwkomer kan soelaas bieden.


De geestesverschijning

De regen viel met bakken uit de lucht toen Marcellus, vanaf zijn wachttorentje naast de kasteelpoort, tevergeefs iets probeerde te zien. Zelfs met zijn lamp voor zich uit, kon hij het terrein voor het kasteel niet aanschouwen. Er waren immers geen maan en sterren om het terrein te verlichten en de regen maakte het er ook niet beter op. Rillend trok hij zijn manrel wat strakker om zich heen en wenste dat het moment van aflossing zich wat sneller zou aandienen.

Langzaam maar zeker begon de regen af te nemen en stak er een hevige wind op die de wolken wegjoeg. Goed voor de zichtbaarheid, nu de maan weer begon te schijnen, maar het bleef koud. 'Waar heb ik dit werk toch aan verdiend?' mopperde Marcellus. Plots trok een beweging in zijn ooghoek zijn aandacht. Het was maar iets vluchtigs, maar hij wist zeker dat zijn ogen hem niet bedrogen. 'De geest', kermde hij. 'De geest!'

'Welke geest?' klonk een barse stem. Aan de onderkant van de wachttoren, binnen de muren van het kasteel, stond een struise man met een zwaard en een maliënkolder. Zijn haar droop nog na. 'Een geest, Laërtes', zei Marcellus. 'Bijna vier meter hoog, gewapend tot de tanden. Een indrukwekkende verschijning.' Laërtes geloofde er geen woord van, maar besloot om toch maar bij de bewaker in de toren te gaan staan. Krankzinnigen moesten in de eerste plaats tegen zichzelf beschermd worden. Toen hij boven was, verlichtte de maan het heuvelige terrein voor het kasteel, net als de bosrand in de verte. Een klein lichtpuntje bewoog naar het kasteel toe.

'Zie je wel! Daar heb je de geest, met zijn lantaarn!' riep Marcellus. Waarop Laërtes zijn ogen even samenkneep en zijn hoofd schudde. 'Dat is geen geest. Het is een gast. Volg me naar beneden.' Tegen de tijd dat de twee mannen voor de kasteelpoort stonden, kon de nieuwkomer hen ook zien. Het was een jonge man op zijn paard, zo rond de twintig jaar, en hij was zo te zien druipnat van de regen. 'Horatio!' riep Marcellus uit toen het paard een paar meter voor de poort tot stilstand kwam. 'Ik dacht dat je een geest was!'

Verrast keek Horatio naar Laërtes, die zijn hoofd schudde, en Horatio begreep het. 'Ik ben vanuit Wittenberg naar hier gekomen zodra ik hoorde over het feest', begon hij, ietwat buiten adem. 'Hopelijk ben ik nog niet te laat.' Laërtes verstrakte even en even leek hij niet zeker te weten wat hij moest doen. Uiteindelijk gaf hij toe. 'Goed. Als prins Hamlet je erover geschreven heeft, kun je misschien wel op het feest aanwezig zijn.' Zijn stem had een onmiskenbaar spottende toon waar Horatio niet op probeerde te letten. 'Dank u. Ik ben zeer vereerd.' Hij stapte van zijn paard en gaf het dier een paar klopjes op de schouder. 'Dit paard heb ik van een smid hier in het dorp in bruikleen. Morgen breng ik hem terug.'

'Het moet wel een aardige duit gekost hebben, zo'n edel dier', merkte Laërtes op, en meteen werd Horatio herinnerd aan de reden van Laërtes' minachtig: hij was niet van adel en bovendien een student die nauwelijks zijn studies kon afbetalen. Het ergste van al was dat wel meer leden van het Deense hof er zo over dachten. 'Nou', zei Marcellus, 'dan zal ik je paard zolang wel... De geest!' Zijn stem sloeg over van schrik en in zijn angst liet hij bijna zijn lamp vallen. Nog geen vijf meter van de drie mannen vandaan, was opeens een enorme spookgedaante verschenen. Volledig bewapend, alleen een stuk van zijn gezicht en zijn baard zichtbaar. Zonder emotie nam hij het tafereel in zich op.

'Horatio, jij bent geleerd. Vraag jij hem wat hij wil', gebood Laërtes. Boos omdat hij nu opeens wél goed genoeg was, maar tegelijk ook bang zette Horatio een paar stappen vooruit. 'O, geest uit het rijk der schimmen', begon hij op nederige toon, 'wat beweegt u uw rustplaats te verlaten en naar de aarde terug te gaan.' De geest stond stil en gaf geen antwoord. 'Heeft u opdrachten te vervullen, of ongedane zaken te vervolledigen, opdat u zult kunnen rusten?' ging Horatio verder. Nog steeds geen antwoord. Langzaam begon de student zijn geduld te verliezen, maar zijn angst won het van zijn ongeduld. 'Kunnen wij u ergens mee van dienst zijn?' drong hij aan.

Nu leek het alsof de geest in beweging zou komen, misschien zelfs wat zou gaan zeggen. Maar toen Horatio onwillekeurig een stap achteruit deed, loste de gedaante op in de nacht.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.