Wikia


Gepetto heeft het als arme klokkenmaker niet makkelijk. Vooral de eenzaamheid weegt zwaar. Maar daar heeft hij een oplossing voor.


Een doodgewone stok

Het stadje Toscane in Italië. Gelegen aan de kust, vol van leven, een grote verscheidenheid aan ambachten en aan de andere kant begrensd door de bergen. Het was een van de meest inspirerende steden in Sprookjeswereld. Niet te verwonderen ook, want Italië is in Sprookjeswereld zo’n beetje hetzelfde als in onze wereld. Maar de sfeer in Toscane bedroog enigszins. Er liepen mensen rond die er zeer lief en vriendelijk uit zagen, maar in feite zeer vals en gemeen waren. Omgekeerd kwam ook voor. Sommige mensen konden er heel nors en streng uitzien, maar toch heel fijngevoelig zijn. Eén van die mensen was Gepetto. Met zijn witte baard en struise lichaamsbouw zag hij er niet bepaald vervaarlijk uit, maar hij bracht veel tijd alleen door in zijn atelier. Daar maakte hij aldoor koekoeksklokken, die hij dan op de markt verkocht. Hij kwam zelden naar buiten en vrienden had hij niet. Dat alleen al was voor de stedelingen genoeg om over hem te roddelen en te fluisteren. En ze deden het niet eens altijd achter zijn rug om. Meer dan eens per week gebeurde het dat een groepje kinderen luidkeels ‘vlaskop!’ naar hem riep. Wel vanop een veilig afstandje, natuurlijk. Gepetto werd niet gauw kwaad, maar áls hij kwaad werd, wilde je toch liever niet in zijn buurt zijn. Omdat hij nooit iets tegen de kwajongens kon beginnen, deed hij altijd alsof hij het niet gehoord had. Maar diep vanbinnen deed het hem wel degelijk pijn.

Op een zekere avond echter, kwam hij vrolijk fluitend zijn atelier binnen, dat zich vlak achter zijn huisje bevond. Voor zich uit rolde hij een stevige, dikke tak. ‘Kijk eens wat ik heb!’ riep hij luidkeels tegen de zwart-witte kat die in haar mandje lag. ‘Een perfecte pijnboomtak. Ideaal voor een zoon. Vind je niet, Figaro?’ Figaro, die haar baasje al heel wat takken naar binnen had zien rollen, besteedde er maar weinig aandacht aan. Gepetto zette de tak netjes in het midden van zijn atelier, nam een kruk, een hamer en een beitel en ging aan de slag. Vrolijk fluitend kapte hij in het hout, dat er in kleine schilfertjes afviel.

Zo naderhand begon Figaro dit toch wel een beetje vreemd te vinden. Zo vrolijk had ze Gepetto nog nooit meegemaakt. Misschien schoot op dat moment wel de gedachte door haar heen dat er iets mis was met hem. Hoe dan ook, ze kwam haar mandje uit en trippelde op hem af. ‘Je zult zien, het wordt fantastisch’, zei Gepetto zodra hij merkte dat zijn kat naast hem zat. ‘Eindelijk zal ik een zoon hebben. Nu ja, geen échte zoon; het wordt immers een marionet. Met touwtjes en zo, weet je wel. Maar ik zal eindelijk een vriend hebben die me niet tegenspreekt en me ook niet uitscheldt voor vlaskop.’ Op dat moment liet Figaro een laag, klagerig gemauw horen, misschien wel omdat ze ongerust was over haar baasje. Hij was echt niet in zijn normale doen. Maar Gepetto vatte het anders op. ‘Nou niet gekwetst zijn’, zei hij terwijl hij haar tussen de oren aaide. ‘Hij zal heus jouw plaats niet innemen. Jij blijft voor altijd mijn lieve, kleine vriendin.’ De toon van zijn stem stelde Figaro gerust. Na zich lekker lang uitgerekt te hebben besloot ze terug te gaan naar haar mandje.

Tezelfdertijd passeerden vier kinderen het atelier van Gepetto. Vanuit het raam konden ze zien dat hij druk bezig was. Laag bij de grond, om zo min mogelijk op te vallen, slopen ze dichterbij. Vervolgens legden ze voorzichtig hun kin op de vensterbank, zodat ze alles konden zien zonder zelf gezien te worden. ‘Is dit wel verstandig?’ vroeg er een. ‘De vorige keer kwam hij ons achterna met een lange stok in zijn handen.’

‘Dat was vast omdat we net zijn duurste koekoeksklok hadden gepikt’, zei de tweede. ‘Tja, allicht…’ mompelde de derde. ‘Maar moet je nou eens zien…’

‘Perbacco!’ riepen ze opeens alle vier tegelijkertijd. ‘Dat is nog eens een ferm stuk hout dat hij aan het bewerken is’, vond de eerste. ‘Ik zou dat niet graag tegen mijn achterwerk krijgen!’ Helaas zei hij het net iets te luid, waardoor Gepetto hem net kon horen. De oude klokkenmaker stond op van zijn kruk om de kinderen te begroeten, maar zij kenden zijn reputatie en maakten dat ze wegkwamen. Na het voorval met de kinderen werkte Gepetto gewoon verder. Tegen de tijd dat hij naar bed ging had hij het gezicht en een deel van het bovenlichaam al af. De volgende dag stond hij vroeg op en ging dadelijk aan de slag. Tegen het eind van de middag was de marionet klaar. Na er een paar touwtjes aan bevestigd te hebben en hier en daar wat verf erop te hebben gesmeerd, liet hij trots zijn nieuwe creatie aan Figaro zien.

‘En?’ vroeg hij. ‘Wat vind je ervan?’ Figaro, die net op de vensterbank genoot van het zonnetje, keek op. Zodra ze de marionet met zijn touwtjes zag sloeg ze er dadelijk met haar poot naar. ‘Ho, voorzichtig zijn’, lachte Gepetto toen hij de marionet buiten haar bereik tilde. ‘Ik wil niet dat je er een krasje op maakt. Begrepen?’ En of Figaro het begreep. Toen ze nog een klein katje was, deed ze niets liever dan overal aan krabben. Nu ze groot was, was ze gelukkig al heel wat braver. ‘Nu nog een naam verzinnen voor dit kereltje’, mompelde Gepetto toen hij de marionet nog eens goed bekeek. ‘Hm, ik dacht zo aan… Pinokkio. Dat betekent trouwens “stukje pijnboomhout” en hij is van pijnboomhout. Ja, dat is perfect. Hij krijgt een mooi plaatsje tussen de klokken en morgen ga ik hem bespelen.’

En hij gaf Pinokkio het mooiste plekje dat hij vinden kon: op de hoogste plank aan de muur van zijn atelier, waar ook zijn mooiste koekoeksklokken stonden. ‘Zo, daar staat hij goed. Nu nog gauw wat klokken inladen om ermee naar de markt te gaan. Met wat geluk ben ik wat vroeger thuis, dan leer ik des te sneller hoe een marionet te bespelen.’

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.